Intro HRR Dutch
Inleiding bij de Country Reports on Human Rights Practices
“Opmerkelijke vooruitgang” geboekt tijdens de afgelopen 60 jaar, maar miljoenen mensen leven nog altijd niet in vrijheid
[Ministerie van Buitenlandse Zaken van de V.S.A.]
Inleiding bij de Country Reports on Human Rights Practices van 2008
Het jaar dat onlangs werd afgesloten, werd door drie trends gekenmerkt: wereldwijd een groeiende vraag naar grotere persoonlijke en politieke vrijheid, regeringen die deze vrijheden trachten in te perken en nieuwe bewijzen dat mensenrechten het best gedijen in een participatieve democratie met een actieve burgermaatschappij.
Deze rapporten, die in opdracht van het Amerikaanse Congres worden opgesteld, beschrijven in welke mate regeringen wereldwijd hun internationale verbintenissen op het vlak van de mensenrechten in de praktijk hebben omgezet. We hopen dat deze rapporten de aandacht blijven vestigen op schendingen van de mensenrechten en acties op gang brengen die een eind maken aan die schendingen. Gelijktijdig hopen we dat de vaak moeizaam geboekte vooruitgang op het vlak van de menselijke vrijheid die in de rapporten wordt beschreven, een hart onder de riem steekt van degenen die vaak nog in heel moeilijke omstandigheden voor hun rechten moeten vechten.
Deze rapporten zullen een bron van inspiratie vormen voor het beleid van de Amerikaanse regering en een referentie voor andere regeringen, intergouvernementele instellingen en niet-gouvernementele organisaties (ngo's), mensenrechtenorganisaties en journalisten. Het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten draait niet alleen om een doeltreffende defensie, maar ook om stevige diplomatie en een krachtige ondersteuning van politieke en economische ontwikkeling. Een krachtig beleid op het vlak van mensenrechten vormt een nieuwe bevestiging van de Amerikaanse waarden en komt onze nationale belangen ten goede. President Obama stelde het zo tijdens zijn inaugurele rede: "Amerika is een vriend van iedere natie en iedere man, vrouw en kind die naar een toekomst van vrede en waardigheid streeft…”. Gelijktijdig waarschuwde hij "al wie zich aan de macht vastklampt door corruptie en misleiding en het monddood maken van wie er een afwijkende mening op nahoudt, moet weten dat hij aan de verkeerde kant van de geschiedenis staat. Maar wij zijn bereid om u de hand te reiken als u uw greep lost.”
Sinds de stichting van onze natie hebben we gepoogd om onrecht te herstellen en respect voor de fundamentele vrijheden van al onze burgers te bevorderen. De inspanningen die daarvoor werden geleverd, werden steeds aangemoedigd en ondersteund door ons democratisch en gecontroleerd regeringssysteem, door ons rechtsstelsel, onze levendige vrije media en het allerbelangrijkste: door de actieve burgerlijke participatie van onze bevolking.
Deze rapporten blijven het ministerie van buitenlandse zaken herinneren aan het feit dat wat de Verenigde Staten doen zowel in het binnenland als in het buitenland van nabij wordt gevolgd. Zoals President Obama onlangs verklaarde, “is de keuze tussen onze veiligheid en onze idealen een valse keuze, die we verwerpen.” Meningen van andere leden van de internationale gemeenschap over onze resultaten – ongeacht of die meningen komen van andere regeringen of uit niet-gouvernementele bronnen - worden niet beschouwd als een inmenging in onze binnenlandse aangelegenheden. Ook andere regeringen mogen dergelijke commentaar niet als zodanig opvatten. Wij hebben, net als alle andere soevereine naties, de internationale plicht om de universele mensenrechten en vrijheden van onze burgers te respecteren. Het behoort tot de verantwoordelijkheden van anderen om zich te laten horen wanneer ze menen dat wij daarin tekortschieten.
De regering van de V.S.A. zal ook in de toekomst luisteren naar uitingen van bezorgdheid over ons eigen handelen en daar rechtuit op reageren. We zullen rapporten blijven voorleggen aan internationale organen in overeenstemming met onze verplichtingen in het kader van verschillende verdragen rond mensenrechten die we mee hebben ondertekend. De wetten, het beleid en de handelswijze van de Verenigde Staten zijn de afgelopen jaren grondig geëvolueerd. En dat zal in de toekomst blijven gebeuren. Op 22 januari 2009 ondertekende President Obama bijvoorbeeld drie decreten met het oog op de sluiting van de gevangenis in Guantanamo en een herziening van van het Amerikaanse overheidsbeleid met betrekking tot opsluiting en ondervragingstechnieken.
De informatie van deze rapporten werd verzameld bij regeringen en multilaterale instellingen, nationale en internationale niet-gouvernementele groeperingen, academici, juristen, religieuze groeperingen en de media. Er werd veel tijd besteed aan het natrekken van die informatie, om een hoge graad van correctheid en objectiviteit te kunnen garanderen. Elk nationaal rapport is uitsluitend gericht op het land in kwestie. Dat neemt echter niet weg dat een aantal brede en algemene vaststellingen kunnen worden geformuleerd.
Een eerste vaststelling: in 2008 werd in veel landen wereldwijd nog altijd weerstand geboden tegen de eis om meer individuele en politieke vrijheid. Een verontrustend hoog aantal landen hanteren strenge, restrictieve of repressieve wetten en voorschriften tegen ngo’s en de media – inclusief het internet. Vele moedige mensenrechtenactivisten die op een vreedzame manier opkwamen voor hun eigen rechten en die van hun landgenoten, werden lastiggevallen, bedreigd, gearresteerd en opgesloten, gedood of werden het slachtoffer van gewelddadige buitengerechtelijke vergeldingsmaatregelen.
Een tweede vaststelling : wantoestanden op het vlak van mensenrechten blijven een symptoom van dieper liggende problemen binnen het politieke systeem. De ergste wantoestanden op dit vlak vonden meestal plaats in landen waar onverantwoordelijke leiders over onbegrensde macht beschikten of waar regeringen niet tegen hun taak bleken opgewassen of ten val kwamen. In veel gevallen werden deze toestanden nog verergerd of veroorzaakt door interne of externe conflicten.
Een derde vaststelling: de kans is veel groter dat mensenrechten worden gerespecteerd in een gezond politiek systeem. De landen waar mensenrechten het best werden beschermd en gerespecteerd, werden door de volgende electorale, institutionele en maatschappelijke elementen gekenmerkt.
Een vrij en eerlijk verkiezingsproces waarbij op de dag van de verkiezingen de stemmen op een transparante manier konden worden uitgebracht en op een eerlijke manier geteld, maar waarbij ook tijdens de periode vóór de verkiezingen alle voorwaarden waren vervuld voor echte concurrentie en een volledig respect van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vreedzame samenkomst en de vrijheid van vereniging.
Representatieve, verantwoordelijke, transparante en democratische regeringsinstellingen, inclusief een onafhankelijke rechterlijke macht, en dat alles binnen het kader van een wetgeving die ervoor zorgt dat leiders die verkiezingen op een democratische manier winnen ook op een democratische manier regeren en de wil en de behoeften van het volk in acht nemen.
Een levendige burgermaatschappij, met inbegrip van onafhankelijke ngo’s en vrije media.
Toch vonden zelfs in landen waar deze elementen aanwezig waren, nog wantoestanden op het vlak van de mensenrechten plaats. Democratische verkiezingen kunnen door onregelmatigheden worden ontsierd. Gevallen van machtsmisbruik en rechterlijke dwalingen kunnen nooit helemaal worden uitgesloten. Een staat waarin de instellingen van de democratisch verkozen regering zwak staan en waar de economie niet goed draait, kan zwaar tekortschieten tegenover de behoeften en verwachtingen van het volk dat droomt van een beter leven. Corruptie kan het vertrouwen van het volk ondermijnen. In sommige landen leven bevolkingsgroepen die langdurig werden gemarginaliseerd en die nog altijd niet op een volwaardige manier aan het leven van hun naties kunnen deelnemen. Onveiligheid ten gevolge van interne en/of grensoverschrijdende conflicten kan het respect voor mensenrechten hinderen en vooruitgang op dat vlak vertragen. Maar wanneer de eerder genoemde electorale, institutionele en maatschappelijke elementen aanwezig zijn, is de kans veel groter dat problemen kunnen worden aangepakt, correcties uitgevoerd en verbeteringen aangebracht.
Samen bevestigen deze drie trends dat de Verenigde Staten op diplomatiek vlak nog altijd op een krachtige manier moeten optreden tegen schendingen van de mensenrechten en hun stem in dit verband moeten laten horen. Gelijktijdig moet ons land ook zijn eigen palmares op dit vlak grondig evalueren. Deze trends bevestigen ook nog de noodzaak om niet alleen diplomatieke inspanningen te leveren, maar ook om creatieve strategieën uit te werken die gezonde politieke stelsels kunnen helpen ontwikkelen en een burgerlijke maatschappij kunnen ondersteunen.
Hieronder vindt u de overzichten van de belangrijkste trends in elke geografische zone. Elk regionaal overzicht wordt gevolgd door een beknopte schets van de toestand in specifieke landen (in alfabetische volgorde) waar tijdens het kalenderjaar 2008 opvallende ontwikkelingen konden worden genoteerd - zowel positieve als negatieve, of een combinatie van beide. Meer uitgebreide en gedetailleerde informatie vindt u in elk afzonderlijk nationaal rapport.
Regionale overzichten
Afrika
Verschillende Afrikaanse landen werkten als stabiliserende kracht op het continent en vormden een krachtig voorbeeld van de vrede en stabiliteit die gepaard gaan met de naleving van een rechtssysteem. Toch bleken in de loop van het jaar de mensenrechten en de ontwikkeling van democratieën in deze regio zwaar onder druk te staan. Dat was vooral zo in een aantal conflictlanden en in andere landen waar de rechtscultuur zich nog aan het ontwikkelen was of gewoonweg nog niet bestond.
In een groot aantal landen werden de mensenrechten van burgers met voeten getreden door de veiligheidstroepen van de regering, die ongestraft hun gang konden gaan. In verschillende landen bleef het systematisch toepassen van folteringen door de veiligheidstroepen op gedetineerden en gevangenen een ernstig probleem. Bovendien bleken de leefomstandigheden in detentiecentra en gevangenissen vaak mensonwaardig en levensbedreigend. Heel wat gedetineerden bleven lang in voorlopige hechtenis. Soms duurde het maanden of zelfs jaren voordat ze voor de rechter werden gebracht.
In conflictlanden bleek een beëindiging van het geweld van essentieel belang om de toestand op het vlak van de mensenrechten te kunnen verbeteren. Oorlogvoerende partijen slaagden er niet in om een politieke overeenkomst uit te werken en zo vrede en stabiliteit in de regio te brengen. In de Democratische Republiek van Congo, Somalië en Soedan bleven gewelddadige conflicten aanslepen of flakkerden deze opnieuw op. Dit leidde steeds tot massamoorden, verkrachtingen en ontheemding van bevolkingsgroepen. De Soedanese regering bleef samenwerken met Janjaweed milities die dorpen bombardeerden en vernielden en honderdduizenden onschuldige burgers vermoordden of op de vlucht dreven.
Een groot aantal Afrikaanse landen wordt nog altijd gekenmerkt door autoritaire leiders. In Zimbabwe ontketende het regime van Mugabe na de verkiezingen van 29 maart, die niet vrij en eerlijk verliepen, een terreurcampagne die leidde tot het vermoorden, verdwijnen en martelen van honderden leden van de oppositiepartijen en hun aanhangers. Repressie door de regering, beperkingen en wanbeheer leidden tot de ontheemding van tienduizenden burgers, tot een grotere onzekerheid over de voedselbevoorrading en tot een cholera-epidemie die tegen het einde van het jaar 1.500 dodelijke slachtoffers had gemaakt. In Ivoorkust werden eerder uitgestelde presidentsverkiezingen opnieuw verschoven. In Mauritanië werd een democratisch verkozen regering na een staatsgreep verdreven. Na het overlijden van Lansana Conte, die lang als president Guinea had geleid, greep een militaire junta de macht en werd de grondwet opgeschort.
Toch waren er in Afrika in de loop van het jaar ook enkele lichtpuntjes te zien . In Angola vonden de eerste verkiezingen plaats sinds 1992. Die verliepen vreedzaam en ordelijk. Ook in Ghana en Zambia werden democratische verkiezingen georganiseerd. In Nigeria vielen de behoorlijke gerechtsprocedures en het respect voor de wetgeving op, toen de kandidaten van de oppositie na de presidentsverkiezingen van 2007 de uitspraak van het hooggerechtshof van het land respecteerden. De verkiezing van president Umaru Musa Yar’Adua werd daarmee bevestigd. Het Rwanda-tribunaal van de Verenigde Naties veroordeelde een voormalige legerkolonel van Rwanda tot levenslange opsluiting wegens het organiseren van de militanten die tijdens de genocide van 1994 in Rwanda verantwoordelijk waren voor de moord op 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s.
Ontwikkelingen in geselecteerde landen
In de Democratische Republiek van Congo bleef de toestand op het vlak van de mensenrechten i in de loop van het jaar verder verslechteren. Deze ontwikkeling ondermijnde de vooruitgang die het land op dit vlak had geboekt sinds de nationale verkiezingen in 2006. Ondanks de ondertekening van de vredesakkoorden van Goma in januari en de aanwezigheid van vredestroepen van de VN gingen de gevechten in Noord- en Zuid-Kivu het hele jaar door. Veiligheidstroepen en alle gewapende groepen konden ongestraft verder hun gang gaan en bezondigden zich regelmatig aan ernstige schendingen zoals willekeurige moorden, verdwijningen, willekeurige arrestaties en opsluitingen, folteringen, verkrachtingen, plunderingen en het inzetten van kindsoldaten. Dit conflict hield de zwaarste humanitaire crisis in Afrika in stand. Dit leidde tot maar liefst 45.000 Congolese doden per maand, een totaal van meer dan één miljoen binnenlandse vluchtelingen en tientallen aanvallen van gewapende groepen op hulpverleners. Seksueel geweld bleef een algemeen verspreid fenomeen. Alleen al in juni werden in Noord-Kivu meer dan 2.200 gevallen van verkrachting geregistreerd. In het hele land bleven de veiligheidstroepen plaatselijke mensenrechtenactivisten en journalisten lastigvallen, slaan, intimideren en arresteren. Deze aanpak leidde tot een duidelijk merkbare verslechtering van de persvrijheid.
De reputatie van Eritrea op het vlak van de mensenrechten ging van kwaad naar erger. De regering bleef de mensenrechten zwaar met de voeten treden, en veiligheidstroepen maakten zich onder meer ongestraft schuldig aan moord. Het regerende Volksfront voor Democratie en Gerechtigheid (PFDJ) is de enige wettelijk toegestane politieke partij. Sinds het land in 1993 onafhankelijk werd, zijn er in Eritrea nog geen nationale verkiezingen georganiseerd. De grondwet, die in 1997 werd goedgekeurd, werd nooit ingevoerd. Een onafhankelijk werkende pers werd niet toegelaten. De meeste onafhankelijke journalisten waren opgesloten of waren het land ontvlucht. In 2008 werden nog meer jonge mensen gerekruteerd voor de legerdienst. Geloofwaardige rapporten geven aan dat mensen die de legerdienst probeerden te ontlopen, in de gevangenis werden gefolterd en dat de veiligheidstroepen mensen neerschoten die naar Ethiopië probeerden te vluchten. De godsdienstvrijheid, die al ernstig werd beperkt, werd nog verder aan banden gelegd. Tegen het einde van het jaar zaten meer dan 3.200 christenen van niet-geregistreerde groeperingen in de gevangenis, evenals meer dan 35 leiders en predikanten van pinksterkerken. Sommigen van hen werden al meer dan drie jaar vastgehouden zonder dat ze beschuldigd waren of een behoorlijk proces hadden gekregen. Minstens drie gevangenen die om religieuze redenen waren opgesloten, stierven in de loop van het jaar in gevangenschap ten gevolge van folteringen en een gebrek aan medische behandeling.
In Kenia kwam er in februari een eind aan het geweld dat in december 2007 na de plaatselijke, parlementaire en presidentsverkiezingen was losgebarsten. Dit was te danken aan een internationaal bemiddelingsproces dat leidde tot een overeenkomst waarin een coalitieregering werd gevormd onder de regerende president Mwai Kibaki. Oppositiekandidaat Raila Odinga kreeg daarbij de nieuw gecreëerde functie van premier toegewezen. Het politieke akkoord voorzag ook in een hervormingskader waarin zou worden gezocht naar de onderliggende oorzaken van het geweld en die oorzaken zouden worden weggewerkt. De onlusten kostten uiteindelijk het leven aan ongeveer 1.500 mensen en joegen meer dan een half miljoen mensen op de vlucht. De hervormingen die hiermee werden beoogd, kwamen slechts moeizaam op gang. Er werden tot nog toe ook onvoldoende inspanningen geleverd om de economische en sociale gevolgen van het geweld aan te pakken. Daarnaast begingen veiligheidstroepen die in Mount Elgon werden ingezet om een einde te maken aan de terreur van een militie, schendingen van de mensenrechten.
De reputatie van Mauritanië op het vlak van de mensenrechten verslechterde, onder meer ten gevolge van een inperking van de rechten van de burgers om hun regering te veranderen, willekeurige arrestaties en de politieke detentie van de president en de premier na een staatsgreep op 6 augustus. In november werd de president vrijgelaten, maar de militaire junta – die als de Hoge Staatsraad (HSC) door het leven gaat – was op het einde van het jaar nog altijd aan de macht. Generaal Mohamed Aziz treedt daarin op als staatshoofd. De staatsgreep werd scherp veroordeeld door leden van de internationale gemeenschap, waaronder de Afrikaanse Unie. Vóór de staatsgreep op 6 augustus steunde de toenmalige democratisch gekozen regering een nationale sensibiliseringscampagne over een nieuwe antislavernijwet. Ook werd het openbare debat aangezwengeld over eerdere taboeonderwerpen zoals etnische verdeeldheid en sociale onrechtvaardigheid. Die regering steunde ook inspanningen op het vlak van nationale verzoening naar aanleiding van de verdrijving van Afrikaanse Mauritaniërs in de periode van 1989 tot 1991. Ze lanceerden daartoe in coördinatie met de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) een repatriëringsprogramma voor de slachtoffers.
In Nigeria volgden de gerechtelijke uitspraken over de resultaten van de zeer onregelmatig verlopen presidents-, regerings- en parlementsverkiezingen elkaar op. Op 12 december verwierp het hooggerechtshof het beroep van twee belangrijke presidentskandidaten van de oppositie en bevestigde het de verkiezing van president Yar'Adua. De twee oppositieleiders legden zich neer bij de uitspraak van het hof. Verkiezingscommissies verklaarden in de loop van het jaar negen verkiezingen van senatoren en elf verkiezingen van gouverneurs nietig. In de olieproducerende Nigerdelta bleef het geweld overheersen. In die regio werden in de loop van het jaar bij een honderdtal verschillende incidenten meer dan 400 mensen (Nigerianen en buitenlandse werknemers) gekidnapt. In november brak etnisch-religieus geweld uit in Jos. Dit maakte honderden dodelijke slachtoffers en leidde tot de ontheemding van tienduizenden anderen. De corruptie bleef welig tieren in dit grondstoffenrijke land, terwijl de anticorruptiecel van de commissie voor economische en financiële misdaden steeds minder actief werd. Er werd weinig vooruitgang geboekt met betrekking tot vervolgingen van federale, staats- en plaatselijke ambtenaren die van corruptie werden beschuldigd.
In Somalië leidden de gevechten tussen de strijdkrachten van de federale overgangsregering (TFG) en het nationale leger en hun milities enerzijds, en de milities van de Raad van Islamische Hoven, antiregerings- en extremistische groepen, terroristische organisaties en clanmilities anderzijds tot wijdverbreide schendingen van mensenrechten, met inbegrip van de moord op meer dan 1.000 burgers, de ontheemding van honderdduizenden mensen, kidnappings en aanvallen op journalisten, hulpverleners, vooraanstaande burgers en mensenrechtenactivisten. Het politieke proces om vrede en stabiliteit in het land te brengen, werd intussen voortgezet. In dat kader ondertekenden de federale overgangsregering en de Alliantie voor de Herbevrijding van Somalië op 9 juni de overeenkomst van Djibouti. Er werd intussen ook begonnen met de implementatie van de voorwaarden van de overeenkomst. Dit proces verliep echter langzaam en werd door interne politieke twisten bemoeilijkt.
In Soedan ging het conflict in Darfour zijn vijfde jaar in. Nog altijd leden de burgers onder de effecten van de volkerenmoord. Gegevens van de VN uit 2008 gaven aan dat het aanslepende conflict sinds het begin al meer dan 2,7 miljoen mensen op de vlucht had gejaagd binnen het land. Daarnaast zocht een kwart miljoen mensen bescherming over de grens in Tsjaad. Burgers werden vermoord door de regering of door milities die door de regering werden gesteund, of werden het slachtoffer van stammentwisten. De regeringstroepen bombardeerden dorpen, doodden mensen die in het land op de vlucht waren geslagen en werkten met milities samen om dorpen met de grond gelijk te maken. De regering belemmerde systematisch de inspanningen van humanitaire organisaties, terwijl rebellen en bandieten hulpverleners om het leven brachten. Niet-geïdentificeerde aanvallers doodden verscheidene soldaten van een gemeenschappelijke vredesmacht van de Afrikaanse Unie en de Verenigde Naties en regeringstroepen voerden aanvallen uit op een konvooi van de vredestroepen. Op 10 mei viel de Beweging voor Rechtvaardigheid en Gelijkheid, een rebellengroep uit Darfour, nabij Khartoum Omdurman aan. De regering zette op grote schaal mensen om politieke en etnische redenen gevangen en liet na de aanval een aantal personen in Omdurman en Khartoum verdwijnen. De regering beperkte de bewegingsvrijheid van de pers aanzienlijk en oefende in dat verband ook rechtstreekse en dagelijkse censuur uit. Sinds 2005, toen een alomvattende vredesovereenkomst (CPA) werd ondertekend tussen het noorden en het zuiden van het land, keerden ongeveer 2,1 miljoen ontheemden en vluchtelingen naar het zuiden terug. Toch bleven er spanningen bestaan over de toepassing van het vredesakkoord. Bij gevechten tussen de noordelijke en de zuidelijke strijdkrachten werd de stad Abyei grotendeels verwoest. Daarbij werden burgers gedood en werden meer dan 50.000 mensen op de vlucht gejaagd.
De onwettige regering van Zimbabwe bezondigde zich systematisch aan de schending van mensenrechten. Daarnaast leidden de repressie, de corruptie en het vernietigende economische en voedselbeleid van het regime van Mugabe tot een escalerende humanitaire crisis. Toch belette dit Mugabe niet om zijn beleid verder door te voeren. Maatschappelijke en humanitaire organisaties werden door de regering en militante groepen aangevallen wegens hun inspanningen om de rechten van de burgers te beschermen en de levensnoodzakelijke humanitaire bijstand te verlenen. Ngo’s kregen bijna drie maanden lang verbod om hun activiteiten uit te voeren, waardoor niet alleen de humanitaire crisis nog werd verscherpt, maar ook de armoede in het land en de onzekerheid over de voedselbevoorrading. Nadat het verbod werd opgeheven, bleef het regime van Mugabe de toegang van hulpverleners tot de slachtoffers bemoeilijken. Op het einde van het jaar leefden miljoenen Zimbabwanen in onzekerheid over hun voedselbevoorrading.
Het regime ontzegde zijn burgers het recht om hun regering te veranderen door het manipuleren van het politieke proces, met inbegrip van de presidentsverkiezingen, en door intimidatie, geweld, corruptie en verkiezingsfraude. Veiligheidstroepen en aanhangers van de regeringspartij doodden, ontvoerden en folterden ongestraft leden van de oppositie, studentenleiders, burgeractivisten en gewone Zimbabwanen. De oppositie, gebundeld in de Beweging voor Democratische Verandering (MDC) veroverde bij de verkiezing van 29 maart een meerderheid in het parlement, maar de resultaten van de presidentsverkiezing werden pas op 2 mei bekend gemaakt, waardoor de geloofwaardigheid en de onafhankelijkheid van de nationale verkiezingscommissie in twijfel werden getrokken. Door de regering gesteund geweld in de periode voorafgaand aan de beslissende verkiezingsronde op 27 juni leidde tot meer dan 190 doden, duizenden gewonden en tienduizenden ontheemden. De verkiezingscommissie riep Mugabe uit tot de winnaar van de beslissende verkiezingsronde nadat Morgan Tsvangirai, de kandidaat van MDC die tijdens de eerste ronde een grote meerderheid had behaald, zich terugtrok omwille van het geweld dat het regime van Mugabe richtte op de MDC en zijn aanhangers en uit erkenning dat een vrije en eerlijke verkiezing niet mogelijk was. De onderhandelingen die door de Southern African Development Community (SADC) waren opgelegd, leverden op 15 september een overeenkomst op die stelde dat beide partijen de macht zouden delen. Door de onverzoenlijkheid van de regering waren de bepalingen van de overeenkomst tegen het einde van het jaar echter nog altijd niet uitgevoerd, waardoor het land niet uit de crisis geraakte.
Oost-Azië en de Pacific-regio
In de loop van het jaar konden in de grote regio van Oost-Azië en de Pacific zowel tekenen van vooruitgang als van achteruitgang worden genoteerd – en dan meer bepaald wat de aansprakelijkheid voor schendingen uit het verleden, de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, de ontwikkeling van de democratie en de mensenhandel betreft.
Steeds meer landen in de regio komen in het reine met schendingen uit het verleden. De Bilaterale Commissie van Waarheid en Vriendschap, die werd opgericht om de wreedheden te onderzoeken die tijdens de periode rond het onafhankelijkheidsreferendum van Oost-Timor in 1999 plaatsvonden, kwam in de loop van het jaar met haar eindrapport naar buiten. De Indonesische president Yudhoyono erkende en aanvaardde de bevindingen van het rapport, dat het Indonesische leger institutioneel verantwoordelijk stelde. Daarnaast verfijnden de Buitengewone Kamers in de rechtbanken van Cambodja hun interne regels in augustus, waardoor de verschrikkelijke misdaden van het regime van de Rode Khmers (1975-1979) sneller konden worden vervolgd. Op het einde van het jaar was het echter nog altijd wachten op de aanvang van de eerste processen.
Sommige landen voerden de repressie op als een reactie op inspanningen van de bevolking om respect voor de mensenrechten af te dwingen. In Vietnam werden de beperkingen op de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid nog verstrengd en in China verhoogde de regering haar strenge culturele en religieuze repressie van etnische minderheden in Tibet en omstreken en in de autonome regio van Xinjiang Uighur. Daarnaast werd ze nog actiever op het vlak van de opsluiting en de pesterijen van dissidenten en petitionarissen.
Andere niet-verkozen leiders probeerden hun illegitieme toestand te verhullen achter een schijn van democratie en manipuleerden daarbij de wet in hun voordeel. Het regime in Birma drukte onmiddellijk na de verwoestende doortocht van de cycloon Nargis een grondwettelijk referendum door dat werd gekenmerkt door wijdverbreide onregelmatigheden en intimidaties. Hoewel de grondwet vanuit technisch oogpunt bekeken in mei van kracht werd, zal het regime in de bewoordingen van de grondwet zelf “staatsoevereiniteit blijven uitoefenen” tot in 2010 verkiezingen met deelname van meerdere partijen worden georganiseerd. De grondwet zal er ook voor zorgen dat de militairen in de toekomst een overheersende rol blijven spelen in het politieke leven, wat ook het resultaat is van het eventuele verkiezingsproces. Op het einde van het jaar legde het regime zeer strenge straffen op voor meer dan 100 activisten voor meer democratie die in 2007 aan de Saffraanrevolutie hadden deelgenomen en mensen die aan de hulpprogramma’s na de cycloon hadden meegewerkt. Verschillende veroordeelden werden overgebracht naar gevangenissen in afgelegen delen van het land, waardoor ze van hun families geïsoleerd raakten. In Fiji erkende het hooggerechtshof van Suva de staatsgreep van 2006, ondanks matige tegenstand tegen de weigering van de interimregering om in maart 2009 verkiezingen te organiseren.
Ook op het vlak van de mensenhandel werden in de loop van het jaar gemengde resultaten geboekt. Verscheidene landen, zoals Thailand en Cambodja, keurden nieuwe wetten ter bestrijding van mensenhandel goed en begonnen een breder spectrum van schendingen op dit vlak - zoals mensenhandel voor arbeid - te onderzoeken en te vervolgen. In Maleisië daarentegen maakten verschillende ngo-rapporten en media melding van de betrokkenheid van Maleisische immigratie-ambtenaren in de mensenhandel van vluchtelingen uit Birma langs de grens tussen Maleisië en Thailand.
Ontwikkelingen in geselecteerde landen
Het militaire regime in Birma bleef het volk onderdrukken en ontzegde burgers het recht om hun regering te veranderen. Daarnaast beging het andere zware schendingen van de mensenrechten. Het regime onderdukte mensen met een afwijkende mening op een brutale manier onder de vorm van buitengerechtelijke moorden, verdwijningen en folteringen. Activisten die ijverden voor mensenrechten en democratie, werden lastiggevallen, in groten getale opgesloten en in sommige gevallen tot 65 jaar cel veroordeeld. Het regime hield gedetineerden en gevangenen in levensbedreigende omstandigheden vast. Het leger bleef aanvallen uitvoeren op streken waar etnische minderheden woonden. Het regime pleegde op systematische manier inbreuken op de privacy van de burgers en perkte de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid van samenkomst, vereniging, godsdienst en beweging in. Ook aan het geweld tegen en de discriminatie van vrouwen en etnische minderheden kwam geen einde. Hetzelfde geldt voor de mensenhandel. De rechten van werknemers werden beperkt en er werd nog altijd dwangarbeid georganiseerd. De regering leverde geen vermeldenswaardige inspanningen om degenen die voor zulke schendingen verantwoordelijk waren, te vervolgen of te straffen. Het regime toonde misprijzen voor het welzijn van zijn eigen burgers toen het erop stond om een frauduleus referendum meteen na de doorkomst van een cycloon gewoon te laten doorgaan. Die natuurramp had tienduizenden mensenlevens geëist. Bovendien liet het regime pas heel laat internationale hulp toe die vele levens had kunnen redden.
De staat van dienst van de Chinese regering op het vlak van de mensenrechten bleef pover. Op sommige vlakken werd de toestand er zelfs nog slechter op. De regering bleef het recht op privacy van zijn burgers beperken en controleerde de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid (ook op het internet) en het recht op samenkomst, beweging en vereniging streng. De overheden lieten buitengerechtelijke moorden en folteringen toe, dwongen getuigenissen af van gevangenen en legden mensen dwangarbeid op. Bovendien voerde de Chinese regering haar activiteiten op met betrekking tot opsluiting en het lastigvallen van dissidenten, petitionarissen, verdedigers van mensenrechten en hun advocaten. Plaatselijke en internationale ngo’s werden ook in 2008 nog geconfronteerd met heel grondige onderzoeken en strenge beperkingen. Op sommige vlakken verergerde de reputatie van China op het vlak van de mensenrechten nog. Onder meer ten gevolge van zware culturele en religieuze repressie van etnische minderheden in de autonome regio van Xinjiang Uighur en in Tibet. Het aantal schendingen piekte rond evenementen die heel wat weerklank vonden in het buitenland, zoals de Olympische Spelen en de onrust in Tibet. Tegen het einde van het jaar maakte de regering het leven lastig van mensen die Charter ’08 hadden ondertekend, dat opriep tot respect voor de universele rechten van de mens en tot hervormingen. Auteur Liu Xiaobo werd gearresteerd wegens zijn deelname aan de opstelling van het charter. In oktober gaf de regering tijdelijke reglementen die naar aanleiding van de Olympische Spelen waren uitgevaardigd, een permanent karakter, waardoor buitenlandse journalisten over een grotere vrijheid konden beschikken.
De regering van Maleisië respecteerde in de meeste gevallen de mensenrechten van zijn burgers. Toch waren er op een aantal vlakken problemen, onder meer door de inperking van het recht van de burgers om van regering te veranderen. Ondanks hun klacht dat de regerende partij tijdens haar ambtsperiode machtsmisbruik had gepleegd, boekten de oppositiepartijen bij de verkiezingen van 8 maart een grote vooruitgang door 82 van de 222 parlementaire zetels voor zich op te eisen. Op die manier ontnam ze de regerende coalitie de tweederdenmeerderheid die ze nodig had om de grondwet naar eigen goeddunken te wijzigen. De regering bleef de persvrijheid en de vrijheid van vereniging, samenkomst, meningsuiting en religie beperken. De regering arresteerde oppositieleiders en journalisten. Internetbloggers werden om duidelijk politieke redenen gearresteerd. Overlijdens in politiecellen bleven een probleem, net als de mishandeling van gedetineerden door de politie, overbevolkte detentiecentra met mensen die het land probeerden binnen te komen en voortdurende vragen over de onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Sommige werknemers buitten buitenlandse werknemers en etnische Indische Maleisiërs uit door hen dwangarbeid op te leggen. Op sommige plantages werden gevallen van kinderarbeid vastgesteld.
De staat van dienst van Noord-Korea op het vlak van de mensenrechten bleef ook in 2008 hopeloos. Terwijl het regime bijna alle aspecten van het leven van de burgers bleef controleren en hen persvrijheid, vrijheid van meningsuiting, samenkomst en vereniging ontzegde en de bewegingsvrijheid en de rechten van werknemers beperkte, kwamen uit het land steeds vaker rapporten van misbruiken. Toch bleef het ook vorig jaar moeilijk om bevestigingen te krijgen van die rapporten. Berichten van buitengerechtelijke moorden, verdwijningen en willekeurige detenties – ook van politieke gevangenen - bleven een somber beeld schetsen van het leven in dit volledig geïsoleerde land. Sommige vluchtelingen die onder dwang waren gerepatrieerd, werden naar verluid zwaar gestraft en mogelijk gefolterd. Er bleven ook berichten opduiken over openbare executies.
Ondanks de tumultueuze politieke sfeer die er heerste, werd geen melding gemaakt van ongrondwettelijke schendingen van de mensenrechten door de regering. Toch bleven er berichten komen van politiemensen die betrokken zouden zijn bij buitengerechtelijke moorden en verdwijningen. De politie mishandelde ook nog altijd gedetineerden en gevangenen. Ook de corruptie binnen de politie bleef bestaan. De opstand van de separatisten in het zuiden van het land leidde wel tot talrijke schendingen van de mensenrechten, inclusief moorden door opstandige Maleisische moslims, vrijwilligers die de Boeddhistische zaak vertegenwoordigden en de veiligheidstroepen van de overheid. De regering hield enkele beperkingen in stand op het vlak van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid en beriep zich daarbij meestal op wetsbepalingen in verband met majesteitsschennis. Leden van stammen die in de heuvels leefden en die niet over de nodige documentatie beschikten, werden nog altijd in hun bewegingsvrijheid gehinderd. Zij kregen met de Nationaliteitsakte van 2008, die op 28 februari van kracht werd, wel meer uitzicht op staatsburgerschap.
De regering van Vietnam bleef de rechten van zijn burgers op een ingrijpende manier beperken. Burgers konden hun regering niet veranderen, politieke bewegingen waren verboden en de regering bleef mensen met afwijkende meningen onderdrukken. Mensen die politiek actief waren, werden op willekeurige basis in hechtenis genomen en werden het recht op een eerlijk en snel proces ontzegd. Verdachten werden tijdens de arrestatie, detentie en ondervraging mishandeld. Corruptie en straffeloosheid bleven aanzienlijke problemen bij de politie. De regering bleef de rechten op privacy en het recht op meningsuiting van de burgers beperken. Het hele jaar door werd de persvrijheid zwaar aan banden gelegd, waarbij verscheidene ervaren redacteurs werden ontslagen en twee verslaggevers werden gearresteerd. Deze acties zetten een rem op een trend die tot op dat moment in de richting van agressievere onderzoeksjournalistiek had geleid. De rechten op samenkomst, beweging en vereniging bleven beperkt. Onafhankelijke mensenrechtenorganisaties waren verboden. Ook aan het geweld tegen en de discriminatie van vrouwen kwam geen einde. Hetzelfde geldt voor de mensenhandel. De regering beperkte de rechten van de arbeiders en arresteerde verscheidene arbeidsactivisten of maakten hen het leven moeilijk.
Europa en Eurazië
De belangrijkste uitdagingen in deze regio zijn dezelfde als in het verleden: enerzijds de versterking van jonge democratieën, het verzet tegen beperkingen en repressie door de regering van ngo’s die voor mensenrechten ijveren en de aanpak van geweld en de prediking van haat en anderzijds de bescherming van fundamentele vrijheden tegen een achtergrond van migratie, toenemend nationalisme en een economische recessie.
In verscheidene landen die ooit tot de Sovjet-Unie hadden behoord, werden eerdere positieve ontwikkelingen op het vlak van mensenrechten en democratie teruggedraaid of bleef men verder afglijden in de richting van een autoritair regime. Een aantal verkiezingen bleken niet te voldoen aan de democratische normen die waren opgesteld door de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de persvrijheid lag nog altijd onder vuur. Journalisten werden gedood of lastiggevallen en de vrijheid van meningsuiting werd door de wetten veeleer beperkt dan beschermd.
Tijdens het conflict dat in augustus losbarstte in de Georgische separatistische enclave van Zuid-Ossetië, maakten zowel de Georgische als de Russische strijdkrachten volgens berichten gebruik van lukraak geweld. Dit leidde tot dodelijke slachtoffers bij de burgerbevolking en bij de journalisten. Nadat de Russen Zuid-Ossetië waren binnengetrokken, werden irreguliere troepen van Zuid-Ossetië beschuldigd van executies, folteringen, etnische aanvallen en willekeurige brandstichting in woningen. De gevechten brachten vluchtelingenstromen van minstens 150.000 Georgische burgers op gang. Russische en Zuid-Ossetische strijdkrachten bezetten dorpen buiten de staatsgrenzen van Zuid-Ossetië en Abchazië, de andere separatistische regio in Georgië. Hoewel de meeste Russische troepen zich tegen 10 oktober uit de streken buiten Abchazië en Zuid-Ossetië terugtrokken, bleven ze de toegang tot beide regio’s versperren voor Georgiërs en internationale organisaties. Op die manier ontstonden gevaarlijke toestanden voor de plaatselijke inwoners en werd het moeilijk om de toestand in de regio op het vlak van de mensenrechten en de naleving van de humanitaire wetten te monitoren.
In verscheidene landen werd de persvrijheid door de regeringen aan banden gelegd. In Azerbeidzjan bleven steeds meer aanvallen op journalisten onbestraft, terwijl journalisten zelf in gevangenissen werden gehouden wegens vermeende misdadige activiteiten. Rusland bleef een gevaarlijke plaats voor journalisten. Een aantal van hen werden in de loop van het jaar vermoord of brutaal aangevallen. In Wit-Rusland ondertekende president Loekasjenko een nieuwe mediawet die de persvrijheid, inclusief publicaties op het internet, verder kon beknotten. Ontwikkelingen in Georgië, waaronder het feit dat de oppositie haar controle over Imedi Television, het enige overgebleven onafhankelijke nationale televisiestation, uit handen moest geven, leidden tot grote bezorgdheid over de diversiteit van de media.
In verscheidene landen waren ngo's en oppositiepartijen het doelwit van onderdrukking door de regering. De regering van Bosnië-Herzegovina deed een internationale anticorruptie-ngo dagenlang haar activiteiten stopzetten nadat ze een rapport had opgesteld waarin regeringsambtenaren van corruptie werden beschuldigd. In Rusland maakten de overheden het veel ngo’s die zich met politiek gevoelige thema’s hadden beziggehouden, steeds moeilijker. In de loop van het jaar paste de regering de wet op het extremisme aan, waardoor gemakkelijker klachten konden worden ingediend tegen een organisatie. De vorige versie van die wet had al vragen opgeroepen over de beperking van de vrijheid van vereniging en legitieme kritiek op de regering. In Wit-Rusland vormde de vrijlating van negen politieke gevangenen een positief signaal, maar toch bleef er bezorgdheid bestaan over de willekeurige beperkingen op de vrijheid van samenkomst en vereniging door de regering en de frequente pesterijen waarvan onafhankelijke activisten het slachtoffer waren. In Rusland maakte de politie soms gebruik van geweld om vreedzame protestbewegingen te voorkomen. Dat gold vooral voor protesten vanuit het kamp van de oppositie.
In de regio konden zowel hoopvolle als onrustwekkende signalen in verband met democratisch bestuur worden opgetekend. Positief is het feit dat de democratisch verkozen regering van Kosovo op 17 februari de onafhankelijkheid uitriep en een grondwet en wetten invoerde met bepalingen op het vlak van mensenrechten die model kunnen staan voor verscheidene andere landen. Andere naties wisten helaas minder bemoedigende resultaten te boeken. De presidentsverkiezingen in Armenië werden grondig verstoord en werden gevolgd door dagenlang vreedzaam protest, dat uiteindelijk op een gewelddadige manier door de regering werd neergeslagen. In Rusland werd de presidentsverkiezing in maart zowel tijdens de verkiezingsperiode als op de verkiezingsdag door problemen gekenmerkt. Die problemen werden onder meer gevormd door de partijdige berichtgeving in media die door de regering werden gecontroleerd of beïnvloed ten gunste van de regerende partij en haar kandidaten, de weigering van de overheden om kandidaten van de oppositiepartijen in te schrijven, een gebrek aan gelijke kansen om campagne te voeren en fraude met de stembiljetten. De parlementsverkiezingen in Wit-Rusland beantwoorden bij lange na niet aan de eisen van de OVSE voor democratische verkiezingen. Alle 110 winnaars die werden bekendgemaakt, waren aanhangers van de regering. De verkiezingen in Azerbeidjan beantwoordden niet aan de belangrijkste OVSE-eisen.
Niet alleen in het oostelijke gedeelte van het continent konden vragen worden gesteld over de eerbiediging van mensenrechten. Een aantal reeds lang gevestigde democratieën in West- en Centraal-Europa bleven worstelen met uitdagingen ten gevolge van de grote instroom van migranten uit het Midden-Oosten, Afrika en andere regio’s. Die ontwikkelingen zetten de beschikbare economische en sociale beschikbare middelen onder druk en leidden tot praktische beperkingen voor immigranten en talrijke klachten over mishandelingen. In een groot aantal landen bleken de levensomstandigheden in de detentiecentra voor mensen zonder papieren van een heel laag niveau – ook in vergelijking met de levensomstandigheden van andere gedetineerden. In Oekraïne waren mensen van Afrikaanse en Aziatische afkomst en mensen uit het Midden-Oosten het slachtoffer van de meeste haatmisdaden. In Rusland zette de voortdurende en onrustwekkende stijging van het aantal xenofobe, racistische en etnische aanvallen zich door. In verscheidene landen in deze regio waren er uitingen van antisemitisme. Incidenten van gewelddadige antisemitische aanslagen bleven zorgen baren. In een aantal landen, waaronder Italië en Hongarije, vormden leden van de Roma-gemeenschap het doelwit van maatschappelijk geweld, dat in sommige gevallen frequenter en dodelijker was dan in vorige jaren.
In Frankrijk, Duitsland, Nederland, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk werden pogingen ondernomen om haattoespraken wettelijk te verbieden om op die manier minderheden tegen discriminatie en geweld te beschermen. Sommige mensenrechtenwaarnemers meenden echter dat hierdoor de vrijheid op meningsuiting werd aangetast.
Ontwikkelingen in geselecteerde landen
De democratische ontwikkeling van Armenië kreeg zware klappen te verwerken. Na de verkiezingen vonden er zelfs incidenten plaats die veel gewelddadiger waren dan in recente jaren. Na wekenlang grotendeels vreedzaam protest na de betwiste presidentsverkiezingen in februari, gebruikte de regering op 1 en 2 maart geweld om het protest uiteen te drijven. Dit leidde tot gewelddadige botsingen en 10 doden. Het geweld leidde tot een noodtoestand die 20 dagen zou duren en een 'black-out' van onafhankelijke media. In die periode paste de regering verregaande beperkingen van de vrijheden van de burgers toe. De rest van het jaar golden er ernstige beperkingen van het recht om vreedzaam samen te komen of om vrij politieke standpunten in te nemen zonder risico op vergelding. Verschillende sympathisanten van de oppositie werden veroordeeld en gevangen gezet en kregen disproportioneel strenge straffen om duidelijk politieke redenen. Negenenvijftig sympathisanten van de oppositie waren op het einde van het jaar naar verluidt nog altijd opgesloten om politieke redenen. Er werden geen regeringsambtenaren vervolgd voor hun vermeende rol in misdaden die met de verkiezingen verband hielden. Ondanks het gemengde succes van een politiek evenwichtig samengestelde onderzoeksgroep die door de regering was opgericht om de gebeurtenissen van maart te onderzoeken, werd de democratische sfeer nog verder afgekoeld door pesterijen, intimidatie en heel grondige belastingsinspecties bij onafhankelijke media en maatschappelijke activisten.
In Azerbeidzjan werd Ilham Aliyev in oktober opnieuw verkozen tot president voor een tweede termijn. Dit gebeurde in een verkiezingsproces dat volgens internationale waarnemers niet voldeed aan de internationale standaarden voor een democratische verkiezing – ondanks het feit dat de regering de administratieve kant van de verkiezing enigszins had verbeterd. De opmerkingen hadden onder meer betrekking op ernstige beperkingen op het vlak van politieke deelname en media, druk en beperkingen voor waarnemers en fouten bij het tellen van de stemmen en de tabulatieprocessen. In de loop van het jaar werden de beperkingen en de druk op de media nog slechter. Een ngo die de toestand in de media opvolgde, meldde dat in de loop van het jaar 22 gevallen van verbale of fysieke aanvallen op journalisten hadden plaatsgevonden – tegenover 11 gevallen in dezelfde periode van 2007. Niemand werd daarvoor verantwoordelijk gesteld. Verscheidene journalisten bleven opgesloten na aanklachten die volgens velen politiek gemotiveerd waren. Op 30 december kondigde de regering aan dat ze vanaf 1 januari 2009 Radio Free Europe/Radio Liberty, Voice of America en de BBC niet meer zou toelaten op de nationale televisie- en FM radiofrequenties. Zonder die internationale informatiebronnen had de bevolking niet langer toegang tot onpartijdig nieuws.
In Wit-Rusland bleef de staat van dienst van de regering op het vlak van de mensenrechten erg pover en de overheden bleven regelmatig ernstige overtredingen begaan. Ondanks voorafgaande verzekeringen door de regering verliepen de parlementsverkiezingen in september vrij noch eerlijk. De overheden konden geen verklaringen geven voor politiek gemotiveerde verdwijningen uit het verleden. De levensomstandigheden in de gevangenissen bleven erg slecht. Er bleven ook berichten komen over mishandelingen van gevangenen en gedetineerden. De rechterlijke macht was niet onafhankelijk genoeg. De regering beperkte de burgerlijke vrijheden verder, met inbegrip van de persvrijheid en de vrijheid van vereniging, samenkomst, meningsuiting en godsdienst. De veiligheidstroepen gebruikten onredelijk geweld om vreedzame demonstranten uiteen te drijven. De corruptie bleef een probleem. Ngo’s en politieke partijen werden het slachtoffer van pesterijen, boetes, vervolgingen en sluitingen. Religieuze leiders werden beboet of kregen niet langer de toestemming om religieuze diensten te leiden. Sommige kerken werden gesloten.
In Georgië werd president Mikheil Saakashvili in januari opnieuw verkozen in een verkiezing die volgens de internationale waarnemers voldeed aan de meeste eisen van de OVSE voor democratische verkiezingen. De waarnemers wezen echter ook op grote uitdagingen, zoals de wijdverbreide aantijgingen van intimidatie en druk en fouten bij het tellen van de stemmen. Ook bij de parlementsverkiezingen in mei werden problemen genoteerd. Zo waren er aantijgingen over mensen die om politieke redenen werden gevangen gezet. De diversiteit van de media werd verder beperkt toen de oppositie de controle verloor over de enige overgebleven nationale televisiezender. Tijdens het conflict in augustus werd melding gemaakt van het gebruik van willekeurig geweld tijdens de militaire operaties door de Georgische en de Russische strijdkrachten. Hierbij vielen burgerslachtoffers, onder wie ook een aantal journalisten.
De Russische Federatie bleef slecht scoren op het vlak van de eerbiediging van mensenrechten in eigen land. Het hele jaar door werden talrijke gevallen gemeld van de schending van mensenrechten door de regering. De diversiteit van de media werd verder beperkt toen de oppositie de controle verloor over de enige overgebleven nationale televisiezender. Tijdens het conflict in augustus werd melding gemaakt van het gebruik van willekeurig geweld tijdens de militaire operaties door de Georgische en de Russische strijdkrachten. Hierbij vielen burgerslachtoffers, onder wie ook een aantal journalisten. In de Noord-Kaukasus bleef de overheid slecht scoren op het vlak van de mensenrechten. De veiligheidstroepen daar waren naar verluidt betrokken bij moorden, folteringen, mishandelingen, geweld en andere brutale behandelingen. Vaak werden ze daarvoor niet bestraft. In Tsjetsjenië, Ingoesjetië en Dagestan waren de veiligheidstroepen naar verluidt betrokken bij moorden en politiek gemotiveerde ontvoeringen. Voor het tweede opeenvolgende jaar werd een grote stijging genoteerd van het aantal moorden op burgers en ambtenaren in Ingoesjetië. Meestal bleven de daders onbekend.
Burgerlijke vrijheden bleven onder vuur liggen, wat een bewijs vormde van een verminderde toerekenbaarheid van de regering ten opzichte van zijn burgers. De vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media werden steeds meer onder druk gezet door de regering. Het land bleef een gevaarlijke omgeving voor de media. In de loop van het jaar werden vijf journalisten gedood; in één geval ging het om een journalist die in Ingoesjetië door de politie werd gedood. Moorden op journalisten van de afgelopen jaren raakten niet opgelost. De regering beperkte de vrijheid van samenkomst en de politie gebruikte soms geweld om te voorkomen dat groepen vreedzame protestacties voerden. De vijandige houding van de overheid ten opzichte van en de bemoeilijking van de activiteiten van sommige ngo’s – en dan meer bepaald organisaties die toezagen op het respect voor de mensenrechten en de organisaties die door het buitenland werden gefinancierd – duidden op een algemene beperking van de burgermaatschappij. Door het steeds meer gecentraliseerde politieke stelsel, waarin de macht bij de president en de premier werd geconcentreerd, doken de problemen die zich hadden voorgedaan bij de verkiezingen voor de Doema in december 2007, in maart opnieuw op bij de presidentsverkiezingen, die niet voldeden aan een groot aantal internationale normen.
Nabije Oosten en Noord-Afrika
In het Midden-Oosten stelden zich het hele jaar door grote uitdagingen op het vlak van de bevordering van de democratie en de mensenrechten. Toch werden op bepaalde vlakken ook opmerkelijke stappen in de goede richting gezet.
Verscheidene regeringen – onder meer in Egypte, Iran, Libië en Syrië – bleven activisten opsluiten omwille van hun overtuigingen. Ayman Nour, die bij de presidentsverkiezingen in Egypte in 2005 op de tweede plaats eindigde, bleef in een Egyptische gevangenis zitten gedurende de periode die in het rapport wordt beschouwd (maar hij werd op 18 februari 2009 vrijgelaten). De regering van Iran sluit regelmatig activisten voor vrouwenrechten en studenten, vakbondsleden en voorvechters van mensenrechten op. De Iraanse overheid bleef de maatschappelijke instellingen onder druk zetten, onder meer met de sluiting van het Centrum voor de Verdediging van de Mensenrechten op 21 december, op een moment dat het bezig was met de voorbereiding van de 60ste verjaardag van de Universele verklaring van de rechten van de mens. De regering van Libië maakte in maart bekend dat ze de politieke activist Fathi El-Jahmi had vrijgelaten, maar hij bleef het hele jaar nog in detentie in het medische centrum van Tripoli, waar hij slechts sporadisch door zijn familie mocht worden bezocht. In Syrië sloot de regering verscheidende bekende leden van de mensenrechtengemeenschap op – en dan voornamelijk mensen die banden hadden met de nationale raad van de Verklaring voor Democratische Nationale Verandering van Damascus, een overkoepelende organisatie voor hervormingsgezinde oppositiegroepen.
De ruimere toegang tot informatie via het internet en satelliettelevisie ging gepaard met strengere beperkingen voor de media en internetbloggers. In Egypte werden bloggers door de politie opgesloten en naar verluidt gefolterd. Hossein Derakhshan, de bekendste blogger van Iran, werd op het einde van het jaar gearresteerd. In Tunesië werd de vrijheid van de media beperkt en werden bloggers door de overheid gearresteerd of lastiggevallen. In Irak liepen journalisten die berichtten over politiek, vrouwenrechten en homoseksualiteit, nog altijd gevaar. Hoewel in 2008 minder journalisten werden gedood in Irak, bleef het dodental bij deze groep nog altijd hoog.
Veel landen in de regio bleven de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting beknotten. Iran hield sinds mei zeven leiders van het Baha'i-geloof gevangen en de Iraanse president bleef het bestaan van Israël aanklagen. In Saoedi-Arabië werd het openbare belijden van andere godsdiensten dan de soennitische islam ten strengste verboden. Leden van religieuze minderheden hadden af te rekenen met discriminatie op het vlak van toegang tot onderwijs, werkgelegenheid en vertegenwoordiging in de regering. Leden van godsdiensten die niet door de regering werden erkend, werden in Egypte zowel op persoonlijk als op collectief vlak hard aangepakt. Andere landen, zoals Bahrein en Algerije, keurden discriminerende wetten goed of bleven – in het geval van Jordanië – beleidsregels invoeren die de religies van de meerderheid bevoordeelden.
In de hele regio bleven vrouwen wettelijk en maatschappelijk gediscrimineerd en bleven ze het slachtoffer van geweld. Iraanse activisten voor de rechten van de vrouw werden lastiggevallen, gearresteerd en ervan beschuldigd dat ze “de nationale veiligheid in gevaar brachten”, omdat ze hadden deelgenomen aan vreedzame protesten en een gelijke behandeling onder de Iraanse wet eisten in het kader van de Campagne van Eén Miljoen Handtekeningen. In andere landen in de regio werd wel steeds meer vooruitgang geboekt op het vlak van de rechten van de vrouwen. Vrouwen streefden ook op een actieve manier naar leidinggevende rollen in de plaatselijke en nationale regeringen. In Koeweit stelden 27 vrouwen zich kandidaat tijdens de nationale verkiezingen van mei 2008, hoewel geen van hen ook een zetel veroverde. Vorig jaar benoemden de VAE hun eerste vrouwelijke rechter en twee vrouwelijke ambassadeurs.
Enkele landen in het Nabije Oosten hebben de afgelopen jaren grote inspanningen geleverd om een eind te maken aan de mishandeling van werknemers en om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. In Oman en Bahrein werden uitgebreide wetten goedgekeurd in de strijd tegen de mensenhandel. In Jordanië werd de bescherming van de arbeidswetgeving tot huishoudelijke werkers in het buitenland uitgebreid. Toch moet er nog een lange weg worden afgelegd met betrekking tot de bescherming van buitenlandse werknemers en de implementatie van bestaande arbeidswetten en voorschriften voor alle werknemers – en dan vooral voor werknemers in de bouwsector en voor huishoudelijk personeel.
Ontwikkelingen in geselecteerde landen
In Egypte bleek de regering in 2008 minder respect te tonen voor de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid, de vrijheid van vereniging en de godsdienstvrijheid. Vooral de detenties en arrestaties van internetbloggers leken verband te houden met hun pogingen om via hun blogs demonstraties te organiseren en hun deelname aan straatprotesten of andere vormen van activisme. De noodtoestand die in 1967 werd ingevoerd, bleef gehandhaafd en veiligheidstroepen gebruikten ongerechtvaardigd dodelijk geweld en folterden en mishandelden gevangenen en gedetineerden. In de meeste gevallen werden ze daarvoor niet gestraft.
De regering van Iran voerde de intensiteit van haar systematische intimidatiecampagnes tegen hervormers, academici, journalisten en dissidenten nog op door willekeurige arrestaties, detenties, folteringen en geheime processen die in sommige gevallen in executies eindigden. Het land bleef ook executies uitvoeren van beschuldigden die op het moment van hun arrestatie nog minderjarig waren. Mensen met een Iraanse en Amerikaanse nationaliteit en Iraniërs die mensen kenden in de Verenigde Staten of die naar de Verenigde Staten reisden, werden nog steeds geïntimideerd en lastiggevallen. In de aanloop naar de parlementsverkiezingen in maart schrapte de Bewakingsraad bijna 1.700 hervormingsgezinde kandidaten van de lijsten.
De algemene veiligheidstoestand in het hele land verbeterde aanzienlijk. In verscheidene provincies werden succesvolle pogingen ondernomen om partijen met elkaar te verzoenen en de spanningen af te bouwen. Aanslepend geweld door opstandelingen en extremisten tegen burgers ondermijnde evenwel het vermogen van de regering om de wetten te doen respecteren. Dit leidde tot wijdverbreide en ernstige schendingen van de mensenrechten. Toch vielen er ook positieve ontwikkelingen te noteren, zoals de goedkeuring van de bepaling in de provinciale verkiezingswet van 24 september die verkiezingen in 14 provincies met een Arabische meerderheid op 31 januari 2009 en verkiezingen later dat jaar in de drie Koerdische provincies en Tameen (Kirkoek) in het vooruitzicht stelde. De wet die op 16 november werd goedgekeurd waarmee een grondwettelijk gemandateerde onafhankelijke hoge commissie voor mensenrechten kon worden opgericht, betekende ook een stap vooruit in de institutionalisatie van de bescherming van die rechten.
In Jordanië drukten maatschappelijke activisten hun bezorgdheid uit over een nieuwe wet inzake verenigingen. De wet, die nog moet worden geïmplementeerd, biedt de regering de mogelijkheid om te weigeren om ngo’s om welke reden dan ook te registreren, om verenigingen te ontbinden en om tussen te komen in het beheer, het lidmaatschap en de activiteiten van ngo’s. Volgens internationale en plaatselijke ngo’s zijn de gevangenissen in het land nog altijd overbevolkt en onderbemand. Bovendien is de voedselvoorziening en de gezondheidszorg ontoereikend en is het bezoeksrecht te beperkt. Hoewel de Jordaanse wet folteringen verbiedt, bleven folterpraktijken volgens Human Rights Watch wijdverbreid en routine. Burgers en ngo’s beweerden dat politieke gevangenen, inclusief islamisten die wegens misdaden tegen de nationale veiligheid waren veroordeeld, zwaarder werden mishandeld dan andere gevangenen en dat bewakers gevangenen ongestraft mishandelden. Vrouwen hadden een beperkt aantal leidinggevende functies binnen de regering in handen – zij het op hogere niveaus dan in andere landen in deze regio. Gelijktijdig bleven huiselijk geweld en zogenaamde eremisdaden bestaan. Een perswet die in 2007 werd goedgekeurd, maakte een einde aan de opsluiting van journalisten wegens ideologische overtredingen. Toch bleven een aantal bepalingen in het strafwetboek behouden, waardoor journalisten wegens laster en eerroof binnen bepaalde limieten konden worden opgesloten en gevangen gezet. Veel journalisten meldden dat het gevaar op hoge boetes tot zelfcensuur leidde. In juli werd de arbeidswetgeving aangepast, waardoor de bepalingen ook van toepassing werden voor werknemers in de landbouwsector en huishoudelijk personeel. Op die manier werden ook zij voortaan tot op zekere hoogte wettelijk beschermd.
Binnenlands geweld en politieke strijd stonden voor het vierde opeenvolgende jaar de mogelijkheden van Libanon in de weg om de mensenrechten in het land te verbeteren. Op 7 mei veroverden oppositiestrijders onder leiding van Hezbollah, een Shia oppositiepartij en terroristische organisatie, de controle over de internationale luchthaven van Beiroet en verscheidene wijken in West-Beiroet. Op 21 mei bereikten de leiders van de rivaliserende kampen - nadat 84 mensen de dood hadden gevonden en ongeveer 200 gewond waren geraakt - een overeenkomst die een eind maakte aan het geweld en de politieke vete die 18 maanden lang had aangesleept. Ondanks de stopzetting van de vijandelijkheden en de verkiezing van president Michel Sleiman in het parlement behield Hezbollah een grote invloed in verscheidene delen van het land. De regering wist ook geen grote vooruitgang te boeken in het ontbinden en ontwapenen van gewapende militiegroepen, waaronder Hezbollah.
De Syrische regering bleef de rechten van de burgers met de voeten treden en bleef strenge beperkingen opleggen op het vlak van de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid van samenkomst en vereniging. Dit alles geeurde in een sfeer van corruptie en straffeloosheid voor de regering. Veiligheidstroepen verstoorden meetings van mensenrechtenorganisaties en activisten, organisatoren en andere personen die kritiek hadden op het regime, belandden zonder vorm van proces in de gevangenis. Het hele jaar door veroordeelde de regering een aantal bekende leden van de mensenrechtengemeenschap tot gevangenisstraffen – en dan voornamelijk mensen die banden hadden met de nationale raad van de Verklaring voor Democratische Nationale Verandering van Damascus (DDDNC), een overkoepelende organisatie voor hervormingsgezinde oppositiegroepen.
In Tunesië zette de regering haar systematische strenge repressie van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging voort. De regering aanvaardde nog altijd geen openlijke kritiek door mensenrechtenactivisten en leden van de oppositie en gebruikte intimidatie, strafrechtelijke onderzoeken en gewelddadige pesterijen in een poging om redacteurs en journalisten ervan te weerhouden om zich kritisch op te stellen. De overheid paste een strenge censuur toe op gedrukte en online media en maakte er een gewoonte van om journalisten lastig te vallen. De veiligheidstroepen doodden in 2008 een politieke demonstrant. Gedetineerden werden gefolterd, seksueel misbruikt en bedreigd om bekentenissen af te leggen.
Zuid- en Centraal-Azië
2008 werd in Zuid- en Centraal-Azië gekenmerkt door zware aanvallen op de basisrechten van de bevolking, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, van godsdienst en van vereniging.
Een aantal regeringen in de regio bleven individuele journalisten en media lastigvallen en verschillende landen bleven de vrije toegang tot informatie op het internet beperken – en dan vooral in Centraal-Azië. In Kirgizië schrapte de regering programma’s van een vooraanstaande onafhankelijke verslaggever op de staatsradio en de staatstelevisie. Een door de regering gecontroleerde internet access provider in Kazachstan hield periodiek specifieke nieuwsberichten en op de oppositie gerichte websites tegen. Beide regeringen pasten zware strafrechtelijke straffen toe tegen journalisten. In sommige gevallen verlieten journalisten het land omdat ze in eigen land voor hun veiligheid vreesden. Net als in het verleden werden journalisten die in Turkmenistan werkten, lastiggevallen door de regering, gearresteerd, in psychiatrische instellingen opgesloten en met geweld behandeld. In Afghanistan veroordeelde de regering een student journalistiek wegens godslastering tot de doodstraf, omdat hij een artikel over de rechten van vrouwen in de islam had verspreid dat hij van het internet had gedownload. Het hof van beroep bracht de straf terug tot 20 jaar opsluiting. In Pakistan daalde het aantal arrestaties van journalisten na de verkiezing van een nieuwe regering. Toch bleven onbekenden journalisten intimideren, ontvoeren en vermoorden - en dan vooral in regio’s waar interne conflicten woedden. In Sri Lanka spraken ambtenaren van het ministerie van defensie en van de regering dreigende taal aan het adres van de onafhankelijke media nadat verschillende aanslagen op leden van de vrije pers niet werden opgelost.
De godsdienstvrijheid kwam in deze regio onder vuur te liggen nadat de parlementen van Kazachstan, Kirgizië en Tadjikistan wetten hadden ingevoerd die beperkingen invoerden op het vlak van de godsdienstvrijheid. Hierdoor werden vooral religieuze minderheden zwaar getroffen. In de Indiase staat Orissa werden minderheden het slachtoffer van geweld. Deze acties vonden plaats in de context van toenemende pesterijen van religieuze minderheidsgroepen door de regeringen van Kazachstan en Tadzjikistan en voortdurende pesterijen door de regering van Oezbekistan. Turkmenistan verwelkomde een bezoek van de speciale rapporteur van de VN die de toestand op het vlak van de godsdienstvrijheid en de vrijheid van opvattingen in het land zou onderzoeken, maar de regering bleef wel alle religieuze activiteiten controleren en voerde daar ook een streng toezicht op.
De rechten van werknemers bleven in de hele regio voor problemen zorgen. In de landbouw en de industrie in Afghanistan, Pakistan en India werden nog altijd kinderen aan het werk gezet. Kinderarbeid was ook wijdverbreid in Kirgizië en Tadzjikistan in de katoen- en andere sectoren. In Oezbekistan werden veel schoolkinderen nog altijd verplicht om te helpen bij de katoenoogst. Hoewel de regering van Kazachstan inspanningen levert om kinderarbeid uit te bannen, blijft deze praktijk nog altijd bestaan in de katoen- en de tabaksindustrie. In Nepal, Pakistan en India maakte men nog steeds gebruik van dwangarbeiders, en dan meer bepaald in de ruime informele sectoren en bij sociaal benadeelde minderheden. Arbeidsorganisaties in Bangladesh maakten melding van intimidaties en mishandelingen en van strengere controle door de veiligheidstroepen.
Hoewel sommige regeringen in de regio politieke oppositie beperkten en echte electorale concurrentie verboden, werd in Zuid-Azië op verscheidene vlakken vooruitgang geboekt met betrekking tot verkiezingen en politieke concurrentie. In Pakistan veroverden de Volkspartij van Pakistan en de Nawaz Moslimliga van Pakistan, de twee belangrijkste oppositiepartijen in het land, samen de meerderheid in het parlement na competitieve parlementsverkiezingen. Met dit resultaat maakten ze een einde aan negen jaar militair bewind. De bevolking van de Malediven verkoos een voormalige politieke gevangene in vrije en eerlijke verkiezingen en onttoonden daarmee de langst regerende regeringsleider in Azië. In Afghanistan bereidde een onafhankelijke verkiezingscommissie de tweede ronde van de verkiezingen sinds de val van de Taliban voor. De verkiezingen in Nepal leverden de meest uiteenlopende legislatuur in de geschiedenis van het land op. Het nieuwe parlement riep vervolgens Nepal uit tot een federale democratische republiek en maakte op die manier een vreedzaam einde aan de monarchie. Bangladesh organiseerde vrije en eerlijke parlementsverkiezingen, die evenwel door geïsoleerde onregelmatigheden en sporadisch geweld werden verstoord. De verkiezingen en de daaropvolgende vreedzame machtsoverdracht maakten een einde aan twee jaar bewind door een waarnemende regering die door het leger werd gesteund. In Bhutan werd de overgang naar een grondwettelijke en beperkte monarchie met volwaardig toezicht en deelname door de bevolking afgerond met verkiezingen voor het lagerhuis.
Ontwikkelingen in geselecteerde landen
Hoewel de toestand op het vlak van de mensenrechten in Afghanistan sinds de val van de Taliban in 2001 aanzienlijk is verbeterd, bleef het land slecht scoren omwille van de zwakke centrale regeringsinstellingen en een dodelijke opstand. De Taliban, Al-Qaeda en andere extremistische groepen bleven aanslagen uitvoeren op regeringsambtenaren, veiligheidstroepen, ngo’s en andere hulpverleners en ongewapende burgers. Er bleven uit het land berichten komen over willekeurige arrestaties en opsluitingen, buitengerechtelijke moorden, folteringen en slechte levensomstandigheden in de gevangenissen. De media konden niet vrij werken ten gevolge van de repressie door de regering en de activiteiten van gewapende groepen.
In Bangladesh werd opvallend minder geweld gepleegd en de waarnemende regering zag toe op het succesvolle verloop van verkiezingen. De staat van dienst van de regering op het vlak van de mensenrechten bleef echter zorgen baren. De noodtoestand die de regering in januari 2007 had uitgeroepen en op 17 december had opgeheven, beknotte vele fundamentele rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en het recht om vrij te komen op borgtocht. De inspanningen van de regering om de corruptie aan te pakken, konden op veel steun van de bevolking rekenen, maar gaven ook aanleiding tot bezorgdheid over de eerlijkheid waarmee die strijd werd aangevat en over de vraag of iedereen gelijk werd behandeld. Hoewel het aantal buitengerechtelijke executies afnam, begingen de veiligheidstroepen zware schendingen, zoals buitengerechtelijke executies, overlijdens in gevangenschap, willekeurige arrestaties en detenties en pesterijen van journalisten. Een aantal militairen konden straffeloos te werk gaan en gingen zich te buiten aan foltering. De regering heeft de buitengerechtelijke executies ook niet volledig onderzocht.
In Kazachstan werd de politieke oppositie geconfronteerd met pesterijen door de regering via politiek gemotiveerde strafrechtelijke aanklachten en beperkingen op de vrijheid van samenkomst. De regering bleef onafhankelijke en naar de oppositie neigende media en journalisten lastigvallen. Op het einde van het jaar bekeek de regering amendementen bij wetten die de werking van politieke partijen, media en verkiezingen regelden. Sommige vertegenwoordigers van de maatschappij en de oppositiepartijen uitten kritiek op dit proces omdat het te weinig transparant zou zijn. De regering bekeek ook amendementen bij de wet op godsdiensten. Als die amendementen worden goedgekeurd, zou dit een ernstige stap achteruit zijn voor de godsdienstvrijheid.
Hoewel Kirgizië een levendige burgermaatschappij en onafhankelijke media kent, probeerde de regering het afgelopen jaar steeds vaker om verschillende aspecten van het burgerleven te controleren. Nieuwe wetten of amendementen voerden beperkingen in op openbare samenkomsten, de godsdienstvrijheid en de media. In oktober haalde de nationale televisie- en radio-omroep Radio Free Liberty/Radio Europe uit de ether, waardoor het publiek moeilijker toegang kreeg tot deze onafhankelijke informatiebron. De voorzitster van de centrale verkiezingscommissie ontvluchtte het land nadat ze had verklaard dat ze door de zoon van de president onder druk was gezet in verband met de inschrijving van een kandidaat van de oppositie voor de verkiezingen voor de plaatselijke raden in oktober.
Nepal werd een federale democratische republiek kort nadat de nationale verkiezingen in april de meest gevarieerde legislatuur in de geschiedenis van het land hadden opgeleverd. Hoewel er berichten waren over politiek geweld, intimidatie en onregelmatigheden tijdens de verkiezingen, meldden waarnemers dat de verkiezingen de wil van het volk weerspiegelden. Het hele jaar door werden gevallen gemeld van geweld, afpersingen en intimidatie. De straffeloosheid van de schenders van de mensenrechten, bedreigingen tegen de media, willekeurige arrestaties en lange periodes van voorhechtenis vormden ernstige problemen in het land. Leden van de Maoïsten, de Jonge Communistische Liga die de leer van Mao aanhangt, en andere kleine - vaak etnisch geïnspireerde - gewapende groepen begingen talrijke zware schendingen van de mensenrechten. Deze schendingen omvatten willekeurige en onwetige executies, folteringen en ontvoeringen. Verschillende gewapende groepen - en dan vooral in de Terai-streek - vielen burgers, regeringsambtenaren, leden van bepaalde etnische groepen, elkaar of Maoïsten aan.
In Pakistan kwam dit jaar opnieuw een burgerregering aan de macht. De oppositiepartijen behaalden de overwinning in de parlementsverkiezingen in februari en vormden een coalitieregering. De coalitie hield niet stand tot het einde van het jaar, hoewel de regering wel aan de macht wist te blijven. In september volgde Asif Ali Zardari, de weduwnaar van de voormalige premier Benazir Bhutto, Pervez Musharraf op als president. De nieuwe regering liet vijf van de 13 rechters van het hooggerechtshof die Musharraf tijdens de noodtoestand van november 2007 had afgezet, opnieuw inzweren. Drie rechters trokken zich terug of dienden hun ontslag in. De legerleiding trok 3.000 legerofficieren terug van de burgerregeringsposten die ze tijdens het bewind van Musharraf hadden ingenomen. Ondanks deze positieve ontwikkelingen bleef de toestand op het vlak van de mensenrechten slecht. Bij militaire operaties in het noordwesten van het land kwamen ongeveer 1.150 burgers om het leven. Aanvallen van militanten in dezelfde regio kostten het leven aan nog eens 825 burgers. Bij sectarisch geweld in het land werden ongeveer 1.125 mensen gedood en bij zelfmoordaanslagen met bommen vielen nog eens 970 dodelijke slachtoffers. Op het einde van het jaar waren ongeveer 200.000 mensen op de vlucht voor de aanhoudende gevechten met militanten.
In Sri Lanka bekommerde de democratisch verkozen regering zich steeds minder om de naleving van de mensenrechten naarmate de gewapende conflicten escaleerden in het kader van de burgeroorlog die het land al 25 jaar teisterde. Op het einde van het jaar was er weinig vooruitgang geboekt op het vlak van de deelname van minderheden aan het politieke leven. Die minderheden waren het slachtoffer van de meeste schendingen van mensenrechten, zoals moorden en verdwijningen. De regering verjoeg de meeste internationale hulpverleners uit de noordelijke conflictregio. Hoewel de regering aanvankelijk pogingen ondernam om het gebruik van kindsoldaten in milities die aan haar zijde streden, aan te pakken, werd het probleem niet opgelost. De regering heeft de gevallen van schendingen van mensenrechten door de veiligheidstroepen niet onderzocht en de verantwoordelijken werden niet vervolgd. Er werden ook geen grondwettelijke bepalingen ingevoerd die toezicht zouden kunnen houden op de regeringsinstellingen. Burgers werden geïntimideerd en onafhankelijke media en journalisten kwamen zwaar onder druk te staan door aanvallen en bedreigingen door regeringsgezinde krachten.
Hoewel er op sommige vlakken een bescheiden vooruitgang kon worden geboekt, bleef de regering van Turkmenistan ernstige schendingen plegen. Haar staat van dienst ter zake bleef dan ook zwak. Politieke en burgerlijke vrijheden bleven nog altijd in hoge mate beperkt. In juni arresteerde de overheid de voormalige activist en voormalige politieke gevangene Gulgeldy Annaniyazov nadat hij naar verluidt illegaal naar het land was teruggekeerd. In een proces achter gesloten deuren werd hij tot 11 jaar cel veroordeeld. De parlementsverkiezingen in december voldeden bij lange na niet aan de internationale normen. De regering bleef verder werken om wetten, inclusief de grondwet, op één lijn te brengen met de relevante internationale overeenkomsten.
De regering van Oezbekistan zette stappen om de toestand van de mensenrechten te verbeteren – bijvoorbeeld in verband met de rechten van beklaagden, mensenhandel en kinderarbeid in de katoenindustrie. Toch werden nog altijd mensenrechten geschonden en bleven de ordediensten op een systematische manier mensen folteren. De overheid verplichtte veel kinderen om katoen te plukken. Soms moest dat werk in slechte levensomstandigheden worden uitgevoerd.
Mensenrechtenactivisten en journalisten die kritiek uitten op de regering, werden nog altijd het slachtoffer van pesterijen, willekeurige arrestaties, politiek gemotiveerde vervolgingen en folteringen.
Westelijk halfrond
Regeringen in deze regio bleven schendingen van mensenrechten uit het verleden aanpakken door ervoor te zorgen dat gerechtigheid geschiedde voor slachtoffers en door een eind te maken aan de straffeloosheid. In Colombia liepen onderzoeken tegen een aantal bevelvoerende officieren naar aanleiding van ernstige schendingen van de mensenrechten. De openbare aanklager voerde onderzoeken naar de activiteiten van 27 militaire officieren, onder wie drie generaals en vier kolonels, die eind oktober uit het leger waren ontslagen wegens hun vermeende betrokkenheid bij de moord op 11 jongeren uit Soacha, nabij Bogotá. In Chili en Argentinië liepen verschillende onderzoeken en werden een aantal uitspraken gedaan in gevallen met betrekking tot de schending van de mensenrechten uit de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. In Peru werden voormalig president Fujimori en andere voormalige regeringsambtenaren vervolgd wegens corruptie en zware schendingen van de mensenrechten. Forensische antropologieteams groeven de resten op en begonnen met de identificatie van de lichamen van honderden mensen die onder dwang waren verdwenen of geslacht en die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw in clandestiene graven waren begraven. De door de VN geleide commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala zette haar onderzoek voort in 15 gevallen van schendingen van mensenrechten die heel wat weerklank hadden, met inbegrip van vrouwendodingen, moorden op buschauffeurs, mensenhandel en aanslagen op en moorden van vakbondsmensen en verdedigers van mensenrechten.
Algemeen gesteld bleven de verkozen instellingen in het hele westelijke halfrond even onafhankelijk en gedisciplineerd werken als in de afgelopen jaren. Verscheidene verkiezingsprocessen, zoals de presidentsverkiezing in Paraguay, de voorverkiezing voor de president in Honduras en referenda in Bolivia en Ecuador werden algemeen gesteld als vrij en eerlijk bestempeld. Er waren echter uitzonderingen op deze algemene regel. In Nicaragua werden de gemeentelijke verkiezingen verstoord door wijdverbreide fraude, intimidatie en geweld. In Venezuela verklaarde de hoofdthesaurier bijna 300 kandidaten voor het ambt van burgemeester en gouverneur (meestal van de oppositie) onverkiesbaar wegens administratieve inbreuken.
In sommige gevallen gebruikten regeringen democratische processen, zoals grondwettelijke referenda, om een beleid te voeren dat democratische vrijheden en instellingen dreigde te ondermijnen, de controle op de overheid te verminderen of de macht in de uitvoerende macht te consolideren. In Ecuador bevat de grondwet van 2008 bepalingen die de media verplichten om gratis uitzendtijd te voorzien voor de regering, wat sommigen deed vrezen voor de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. In Venezuela bevatten 26 ‘uitvoerende’ wetten die werden goedgekeurd, bepalingen die de macht van verkozen ambtenaren beperken en de centralisatie van de macht bevorderen. Sommige van die wetten weerspiegelden aspecten van het grondwettelijke referendum dat in 2007 was weggestemd.
De persvrijheid kwam op sommige plaatsen in het gedrang. In Venezuela bleven onafhankelijke media en journalisten de slachtoffers van openbare pesterijen en intimidatie door hooggeplaatste regeringsambtenaren in media die in handen van de overheid waren. Het onafhankelijke Venezolaanse televisiestation Globovision werd door aanhangers van de regering met traangas bestookt. De regering van Nicaragua ondermijnde de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting met behulp van administratieve, gerechtelijke en financiële maatregelen. Hoewel de regering van Bolivia algemeen gesteld de persvrijheid respecteerde, bleef het wel een vijandige houding ten opzichte van de pers aannemen. Verscheidene ngo’s beweerden dat president Morales en regeringsambtenaren kleinerende verklaringen aflegden over de pers, geweld tegen journalisten en media door de vingers zagen, door de staat geproduceerde media-inhoud politiseerden en wetten afkondigden die de onafhankelijke media aan banden moesten leggen.
Cuba bleef de enige totalitaire staat in het westelijke halfrond nadat Fidel Castro de macht op een ondemocratische manier aan zijn broer Raul had overgedragen.
Ontwikkelingen in geselecteerde landen
In Bolivia leidden de inspanningen van de regering om een controversiële nieuwe grondwet aan een nationaal referendum voor te leggen, eisen van de oppositie voor een grotere regionale autonomie en aanvragen van verschillende partijen voor regeringsfondsen tot een reeks gewelddadige confrontaties en grootschalige wegblokkades. Het geweld bereikte een hoogtepunt in september in het Pando Department, toen 13 doden vielen en de gouverneur langdurig onwettelijk werd gevangen gezet. In mei en juni hielden oostelijke departementen referenda over autonomie. Die werden echter niet erkend door de federale regering en niet opgevolgd door de internationale gemeenschap. Na een nationaal referendum in augustus konden de meeste prefecten (gouverneurs) en president Evo Morales in functie blijven en won de Beweging voor het Socialisme, de partij van de president, aan macht. Zij streefde naar een nationale stemming over een nieuwe grondwet.
Tegen de achtergrond van gewapende conflicten met terroristische organisaties, die nu al 44 jaar aanslepen, bleef de regering van Colombia inspanningen leveren om de mensenrechten in haar land beter te doen naleven. Er ging vooral veel aandacht naar de implementatie van haar “wet voor gerecht en vrijheid”, een proces dat een grote rol speelde in de opheldering van ongeveer 164.000 misdaden en in de hervorming van het militaire rechtssysteem. Tijdens de eerste tien maanden van het jaar nam het aantal moorden met 6% en het aantal kidnappings met 14% af ten opzichte van 2007, terwijl gerechtelijke onderzoeken naar de banden tussen politici en paramilitaire groepen 70 leden van het congres en 15 gouverneurs in een lastig parket brachten. Een aantal van hen werd intussen opgesloten. Toch bleven er nog talrijke maatschappelijke problemen en schendingen van mensenrechten door de regering bestaan, met inbegrip van wederrechtelijke moorden, samenwerking van opstandige militairen met illegale gewapende groepen en pesterijen van journalisten en mensenrechtenorganisaties. Terroristische organisaties zoals de Revolutionaire Gewapende Krachten van Colombia en het Nationale Bevrijdingsleger pleegden ernstige schendingen van de mensenrechten, met inbegrip van politieke en andere moorden, kidnappings, massieve verplichte volksverhuizingen, rekrutering van kindsoldaten en aanvallen tegen mensenrechtenactivisten, leraren en vakbondsmensen.
In Cuba werden de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van samenkomst in vergelijking met het jaar voordien nog verder beperkt. Dissidenten werden nog meer lastiggevallen en activisten werden door veiligheidsambtenaren of door de regering verzamelde menigten geslagen. De regering paste ook vaker korte voorlopige hechtenissen zonder aanklachten toe om activisten te intimideren en op die manier te voorkomen dat ze zich zouden organiseren. Minstens 219 politieke gevangenen bleven in smerige en levensbedreigende omstandigheden opgesloten. Ze werden daarbij ook geslagen en kregen geen medische behandeling. De politieke gevangenen die in de loop van het jaar werden vrijgelaten, hadden hun volledige vonnis uitgezeten. De regering bleef de burgers de toegang beperken tot onafhankelijke informatie en probeerde in het bijzonder de toegang tot het internet te beperken. Anderzijds mochten afzonderlijke burgers voor de eerste keer een eigen pc bezitten.
Guatemala leverde inspanningen om de mensenrechten in het land beter te doen naleven. De Commissie tegen straffeloosheid in Guatemala zette onder leiding van de VN haar onderzoeken voort in zaken van schendingen van mensenrechten die heel wat weerklank vonden en breidde haar onderzoekingscapaciteit uit door de oprichting van een nieuwe eenheid van openbare aanklagers. Toch bleef er wijdverbreid geweld en straffeloosheid woeden. Leden van de nationale politie begingen wederrechtelijke moorden en in veel gevallen gaven de overheden er de voorkeur aan om individuele politie-officieren over te plaatsen of te ontslaan in plaats van de gevallen te onderzoeken en de vermeende daders te vervolgen. Andere vormen van geweld vloeiden voort uit incidenten met benden, seksuele misdaden, afpersing, georganiseerde misdaad en drugshandel. Vakbondsmensen werden met geweld bedreigd of vermoord door onbekende aanvallers. Corruptie bij de overheid bleef een ernstig probleem en openbare enquêtes toonden aan dat de bevolking weinig vertrouwen had in alle regeringsinstellingen.
De regerende Sandinista-regering in Nicaragua liet geen geloofwaardige internationale waarnemers toe bij de gemeentelijke verkiezingen in november. Die werden verstoord door wijdverbreide fraude, onregelmatigheden en intimidatie. Het land leed nog altijd onder het gebrek aan de naleving van het recht, systematische corruptie en de politisering van de rechterlijke macht en andere regeringsinstellingen. De regering en andere krachten intimideerden journalisten en maatschappelijke groepen die het officiële beleid niet steunden en vielen hen lastig.
In Venezuela stelde de ngo-gemeenschap vast dat zowel de democratische als de mensenrechten steeds verder werden aangetast, wat tot ernstige potentiële gevaren kon leiden. In de loop van het jaar keurde de Nationale Assemblée 26 wetten goed die bepalingen bevatten die het gezag van verkozen ambtenaren inperkten en de centralisatie van de macht in de hand werkten. De regering kreeg internationale kritiek en werd beschuldigd van ongrondwettelijke activiteiten toen ze 272 kandidaten voor een plaats in de gemeente- en provincieraden onverkiesbaar verklaarde. De meesten van hen waren kandidaten van de oppositie. President Chavez verklaarde dat hij van plan was om om 15 februari 2009 nog een grondwettelijk referendum te organiseren, waarmee beperkingen op de ambtstermijn van de president en voor de eerste keer voor alle verkozen ambtenaren zouden worden afgeschaft. Er waren talrijke ernstige gevallen van belemmering en bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, inclusief de vrijheid van de media. Regeringsambtenaren pestten en intimideerden onafhankelijke media en journalisten op staatsmedia openlijk. De regering spande een proces in tegen een onafhankelijk Venezolaans televisiestation omdat het zou hebben opgeroepen om president Chavez te vermoorden. Individuele journalisten en media werden er ook van beschuldigd dat ze geweld aanstookten en de regering probeerden te destabiliseren nadat ze standpunten hadden verkondigd die kritisch waren voor of opriepen tot acties tegen de regering. Regeringsinstellingen en ambtenaren en overheidsmedia promootten antisemitisme via talrijke antisemitische commentaren. Dit leidde in de maatschappij tot verschillende vormen van antisemitistische uitlatingen, karikaturen, vandalisme en andere fysieke aanvallen tegen Joodse instellingen.
Besluit
Op 10 december 2008 was het precies 60 jaar geleden dat de Universele verklaring van de rechten van de mens door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd goedgekeurd. In de decennia die daarop volgden, werd op alle continenten een grote vooruitgang geboekt op het vlak van de rechten die in de verklaring worden opgesomd. Toch ontzeggen regeringen zestig jaar later nog altijd honderden miljoenen mensen hun fundamentele vrijheden.
De Verenigde Staten zijn een land dat op basis van mensenrechten en gerechtigheid werd opgericht. Met de publicatie van deze verslagen proberen we een bron van informatie, hoop en hulp te zijn voor mensen overal ter wereld die worden onderdrukt, het zwijgen opgelegd en gemarginaliseerd. We zijn onveranderlijk verplicht om er op alle niveaus – nationaal, regionaal en wereldwijd – voor te zorgen dat de mensenrechten die in de Universele verklaring zijn vastgelegd, worden beschermd en gerespecteerd.


